Eerst terugbetalen, dan pas argumenteren: bank moet slachtoffers van phishing onmiddellijk vergoede
- 3 jun
- 5 minuten om te lezen

Wie slachtoffer wordt van phishing, krijgt van zijn bank vaak hetzelfde antwoord te horen: u bent zelf onvoorzichtig geweest, dus u draagt het verlies. Een recent vonnis van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, zetelend in kort geding, zet dat verhaal stevig op zijn kop. De rechtbank oordeelde dat een bank een gefraudeerd bedrag van bijna 50.000 euro onmiddellijk moet terugbetalen, ook al beweert de bank dat de klant grof nalatig zou zijn geweest. De discussie over de schuldvraag komt pas later. Het vonnis vertaalt op heldere wijze het principe dat aan de Europese betalingsrichtlijn ten grondslag ligt: eerst betalen, daarna pas argumenteren.
De feiten
Een echtpaar van respectievelijk 90 en 93 jaar oud was klant bij een Belgische spaarbank. Op 23 januari 2026 werd de man, naar eigen zeggen terwijl hij net een overschrijving aan het uitvoeren was, telefonisch gecontacteerd door iemand die zich voordeed als een medewerker van de bank. Diezelfde dag stelde hij vast dat er twee overschrijvingen naar een onbekende rekening in Portugal waren vertrokken, samen goed voor 49.958 euro. De zoon van het koppel verwittigde meteen de fraudelijn en Card Stop en diende klacht in bij de politie.
Toen de bank niet wou terugbetalen, dagvaardde het echtpaar in kort geding om de overgeschreven bedragen op hun rekening teruggestort te krijgen.
Wat zegt de wet?
De sleutel ligt in twee bepalingen van het Wetboek van economisch recht, beide een omzetting van de tweede Europese betalingsdienstenrichtlijn (PSD2, richtlijn (EU) 2015/2366).
Artikel VII.43 WER legt aan de bank een onmiddellijke terugbetalingsverplichting op bij een niet-toegestane betalingstransactie. De bank moet het bedrag terugbetalen "onmiddellijk" en in elk geval uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag nadat zij van de transactie kennis heeft gekregen. Op die verplichting bestaat slechts één uitzondering: wanneer de bank redelijke gronden heeft om fraude door de betaler zelf te vermoeden én zij die gronden schriftelijk meedeelt aan de FOD Economie.
Artikel VII.44 WER regelt vervolgens de definitieve verdeling van de aansprakelijkheid. Daar kan de betaler die frauduleus of grof nalatig handelde wél het verlies dragen.
Het systeem is dus opgebouwd in twee fasen. Artikel VII.43 WER is de fase "eerst betalen": een voorlopige terugbetaling, in afwachting van uitsluitsel. Artikel VII.44 WER is de fase "daarna pas argumenteren": de finale afrekening over wie het verlies uiteindelijk draagt.
De inzet van het geschil
De bank voerde twee verweren aan. Ten eerste betoogde zij dat het hier niet om een niet-toegestane, maar om een toegestane transactie ging. De klanten hadden volgens haar immers de overeengekomen beveiligingsprocedure doorlopen — debetkaart, digipas, pincode, responsecodes en per sms toegestuurde unieke codes. Ten tweede argumenteerde de bank, ondergeschikt, dat de klanten grof nalatig waren geweest, zodat artikel VII.43 WER niet zou spelen en de aansprakelijkheidsregeling van artikel VII.44 WER als lex specialis van toepassing zou zijn.
De kern van het geschil was dus de vraag: mag de kortgedingrechter, vóór hij beveelt terug te betalen, eerst onderzoeken of de verrichting toegestaan was en of de klant nalatig was?
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank beantwoordt die vraag ondubbelzinnig: neen.
De vordering is hoogdringend. De urgentie volgt al uit de tekst van de wet zelf. Wanneer de wetgever de bank verplicht om "onmiddellijk" en "uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag" terug te betalen, dan is de mogelijke niet-naleving van die verplichting uit haar aard dringend. Ten overvloede wijst de rechtbank op de leeftijd van de eisers, die aannemelijk maken dat zij door de grote overschrijvingen niet meer kunnen beschikken over de middelen die zij nodig hebben voor hun woning en verzorging.
De rechter moet het toegestane karakter van de verrichting niet onderzoeken. Zou de kortgedingrechter aanvaarden dat de bank niet alleen fraude, maar ook een vermoeden dat de verrichting toegestaan was, mag inroepen, dan voegt hij een uitzondering toe die noch in de richtlijn, noch in het WER staat. Bovendien zou voor die nieuwe uitzondering de meldingsplicht aan de FOD Economie niet gelden, terwijl die voor fraude wél bestaat. Een onderzoek naar het al dan niet toegestane karakter van de verrichting is juridisch en technisch zwaar en zou de termijn van één werkdag per definitie steeds overschrijden. Daarmee zou het recht op onmiddellijke terugbetaling dode letter worden — de uitzondering in plaats van de regel. Het volstaat dus dat de voorwaarden van artikel VII.43 WER ogenschijnlijk vervuld zijn.
Ook beweerde grove nalatigheid schort de terugbetalingsplicht niet op. Hier steunt de rechtbank uitdrukkelijk op de recente conclusie van advocaat-generaal Rantos van 5 maart 2026 in zaak C-70/25 bij het Hof van Justitie. De advocaat-generaal adviseert dat de plicht tot onmiddellijke terugbetaling (artikel 73 PSD2) óók geldt bij een vermoeden van grove nalatigheid (artikel 74 PSD2). De bank moet eerst terugbetalen en kan pas daarna, in een procedure ten gronde, een vergoeding vorderen van de klant die zij aansprakelijk acht. Er is slechts één geval waarin de bank de terugbetaling mag uitstellen: een sterk vermoeden van fraude door de betaler zelf, met formele kennisgeving aan de bevoegde overheid. Een lezing waarbij de bank haar verplichting kan ontwijken door simpelweg grove nalatigheid in te roepen, zou aan artikel 73 PSD2 elke nuttige werking ontnemen.
De rechtbank verwijst ten slotte naar de rechtsleer, die vaststelt dat banken artikel VII.43 WER in de praktijk zelden of nooit naleven — een vaststelling die ook uit de adviezen van Ombudsfin blijkt, en die net daarom de bescherming van de consument zo cruciaal maakt.
De beslissing
De rechtbank verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond. De bank wordt veroordeeld tot betaling van 49.958 euro, vermeerderd met de gewone wettelijke verwijlinteresten vanaf 23 januari 2026 tot de dag van algehele betaling, en tot de kosten van het geding, waaronder de dagvaardingskosten van 425,77 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 3.924,42 euro.
Waarom dit vonnis belangrijk is
De betekenis van dit vonnis ligt niet zozeer in het bedrag, maar in de procedurele klaarheid. Het bevestigt dat het kort geding een doeltreffende weg is om een bank tot onmiddellijke terugbetaling te dwingen, en dat de rechter zich daarbij niet hoeft te laten meeslepen in het juridisch-technische debat over instemming, authenticatie en nalatigheid. Voor dat debat is er de procedure ten gronde.
Even belangrijk is de verschuiving van het procedurerisico. Het is niet aan het slachtoffer om eerst maandenlang te procederen om zijn geld terug te zien; het is aan de bank om, ná terugbetaling, desgewenst zelf naar de rechter te stappen als zij meent dat de klant aansprakelijk is. Dat is precies de bedoeling van de Europese wetgever, die met de aangepaste PSD2 de consumentenbescherming wou versterken.
Een belangrijke nuance
Het blijft een uitspraak in kort geding, en dus voorlopig. De terugbetaling regelt alleen de eerste fase. De bank kan vervolgens in een bodemprocedure de teruggave vorderen indien zij meent dat de transactie wél toegestaan was, dan wel dat er sprake was van grove nalatigheid in de zin van artikel VII.44 WER. Pas dan zal definitief blijken of, en in welke mate, de betalers aansprakelijk zijn. Daarnaast betreft het de conclusie van een advocaat-generaal; het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-70/25 moet nog volgen. Toch mag het gewicht van die conclusie niet onderschat worden, en dit vonnis toont dat Belgische rechters er nu al naar verwijzen.
Wat te doen als slachtoffer?
Bent u slachtoffer van phishing of een andere niet-toegestane overschrijving, dan loont het de moeite om uw rechten te kennen. Verwittig onmiddellijk Card Stop en de fraudelijn, dien klacht in bij de politie, en breng uw bank schriftelijk op de hoogte. Weigert de bank terug te betalen met een loutere verwijzing naar uw beweerde nalatigheid, dan staat u sterker dan u misschien denkt. De wettelijke regel is dat de bank in de eerste plaats moet terugbetalen.
Heeft u vragen over een geschil met uw bank na phishing of een niet-toegestane betaling? Ons kantoor heeft inmiddels een ruime ervaring opgebouwd is phisingdossiers en staat u graag bij.




Opmerkingen