Na Salduz: is dit het volgende stokpaardje van het EHRM?
Wie de evolutie van het Belgische en Nederlandse strafprocesrecht van de laatste vijftien jaar volgt, kent het patroon: het EHRM zet een principe neer in een individueel arrest, de nationale wetgever verzet zich aanvankelijk, en uiteindelijk wordt de rechtspraak van Straatsburg toch in de nationale procedure ingebakken. Zo ging het met Salduz: de bijstand van een advocaat vanaf het eerste verhoor werd pas na jarenlange weerstand een verworven recht in ons strafprocesrecht. Met het arrest Brunell en McArdle tegen Nederland van 1 september 2026 lijkt het Hof een gelijkaardig traject in te zetten, ditmaal rond het verhoor van getuigen in hoger beroep.
De zaak in het kort
Twee Ierse onderdanen werden in Nederland vervolgd voor doodslag en lijkwegmaking. De rechtbank in eerste aanleg sprak hen vrij van de doodslag. Het gerechtshof floot deze vrijspraak echter terug in hoger beroep en veroordeelde beide mannen alsnog tot een gevangenisstraf, in beslissende mate op grond van de verklaring van een belastende sleutelgetuige wiens geloofwaardigheid ernstig ter discussie stond. Het gerechtshof had die getuige echter nooit zelf rechtstreeks gehoord. De Hoge Raad verwierp nadien het cassatieberoep. Het EHRM oordeelt unaniem dat dit een schending van artikel 6 EVRM oplevert.
Niet de eerste keer
Wat dit arrest bijzonder maakt, is niet zozeer het geïsoleerde feit, maar de herhaling van het patroon. Het Hof heeft zich in het verleden reeds meermaals in dezelfde zin uitgesproken: wanneer een appelrechter een vrijspraak wil omzetten in een veroordeling op basis van een getuigenverklaring waarvan de geloofwaardigheid betwist wordt, moet die getuige persoonlijk gehoord worden. Zo'n herhaalde, consistente lijn in de Straatsburgse rechtspraak is precies het soort signaal dat destijds ook aan de basis lag van de Salduz-ontwikkeling: eerst een reeks individuele arresten, dan geleidelijke druk op de nationale wetgever en rechtspraak om het principe structureel te verankeren.
Het onmiddellijkheidsbeginsel
De kern van de redenering is het onmiddellijkheidsbeginsel: een rechter die over de schuldvraag beslist, moet zich baseren op rechtstreeks en origineel bewijsmateriaal, zeker wanneer er geen doorslaggevend forensisch bewijs voorhanden is en de zaak in wezen staat of valt met de geloofwaardigheid van één getuige. Het loutere feit dat er objectieve gegevens waren, zoals telefoniegegevens of DNA-sporen, volstond in deze zaak niet: die gegevens plaatsten de betrokkenen weliswaar ter plaatse, maar gaven geen uitsluitsel over wat zich precies had voorgedaan. Zich beperken tot een schriftelijke verklaring is in zo'n geval onvoldoende, en zelfs een cassatieberoep biedt volgens het Hof geen automatisch herstel als de zaak niet wordt teruggewezen voor een hernieuwd verhoor.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Als deze lijn zich inderdaad bestendigt, zullen rechtbanken en hoven van beroep in gelijkaardige dossiers steeds minder kunnen volstaan met een loutere dossieranalyse. Voor de verdediging betekent dit een concreet aanknopingspunt: in elke zaak waarin een vrijspraak wordt aangevochten op basis van een betwiste getuigenverklaring, kan uitdrukkelijk het persoonlijk verhoor van die getuige in hoger beroep worden gevorderd. Wordt dat geweigerd, dan levert dit arrest een stevig argument op om dit verzuim, net als destijds bij Salduz, verder aan te kaarten tot in Straatsburg.
Volgt u de ontwikkeling van uw strafdossier op de voet, of speelt de geloofwaardigheid van een getuige een centrale rol in uw zaak? Neem gerust contact op met ons kantoor voor een grondige bespreking.
Bron: EHRM 1 september 2026, Brunell en McArdle t. Nederland, nrs. 30395/20 en 31220/20.




Opmerkingen