Niet elke getuige moet gehoord worden: het EHRM over de grenzen van artikel 6 EVRM
Op 10 september 2026 sprak het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich opnieuw uit over het recht om getuigen te ondervragen, gewaarborgd door artikel 6, § 3, d) EVRM. Waar het Hof dit recht in eerdere rechtspraak vaak strikt bewaakte, brengt dit arrest een belangrijke nuance: de weigering om een getuige te horen is niet automatisch een schending van het recht op een eerlijk proces. Voor de praktijk in correctionele zaken is dat een leerrijke uitspraak.
Wat was er aan de hand?
De verzoeker werd in 1996 verdacht van moord en in 2011 bij verstek veroordeeld door het hof van assisen. Pas na zijn overlevering in 2020 kon hij verzet aantekenen tegen deze veroordeling. Bij het nieuwe proces vroeg hij het verhoor van negen getuigen, onder wie twee Britse geldschieters wier verklaringen volgens hem het financiële motief voor de moord konden weerleggen. De voorzitter van het hof van assisen weigerde dit verhoor, met als motivering dat het niet zou bijdragen tot de waarheidsvinding. De verzoeker werd schuldig bevonden en veroordeeld tot dertig jaar opsluiting. Het Hof van Cassatie verwierp nadien zijn cassatieberoep, waarna hij zich tot Straatsburg wendde.
Het onderscheid: enige of beslissende bewijswaarde
Het Hof herhaalt vooreerst dat het recht om getuigen à charge te ondervragen een essentieel onderdeel van het eerlijk proces vormt. Maar het voegt daar een belangrijke toets aan toe: de weigering om een getuige te horen schendt het verdrag niet, wanneer diens verklaring niet het enige of doorslaggevende bewijselement voor de schuld vormt. Het Hof beoordeelt de procedure daarbij steeds in haar geheel, met inbegrip van de vraag of het vonnis voldoende gemotiveerd is. Steunt de veroordeling op een geheel van objectieve, onderling bevestigende bewijselementen, dan blijft de billijkheid van het proces gewaarborgd, ook al werd een bepaalde getuige niet gehoord.
In deze zaak stelde het Hof vast dat de schuld van de verzoeker niet enkel steunde op de al dan niet gehoorde getuigen, maar op een reeks concrete aanwijzingen: het kaliber van het gebruikte wapen, telefoongegevens en een uitvoerig gemotiveerd arrest van het hof van assisen. Op grond daarvan besluit het Hof dat artikel 6 EVRM niet werd geschonden en verklaart het de vordering ongegrond.
Betekenis voor de Belgische praktijk
Dit arrest brengt een nuttig tegenwicht ten opzichte van de rechtspraak waarin het EHRM net wel een schending vaststelde omdat een veroordeling in beslissende mate op een niet-gehoorde getuige steunde. Voor de verdediging blijft het dus zaak om, bij een weigering om een getuige te horen, uitdrukkelijk te laten vaststellen welk gewicht die getuigenverklaring in het geheel van het bewijs inneemt. Is die verklaring het enige of doorslaggevende element, dan blijft een schending van artikel 6 EVRM een reëel verweermiddel. Steunt de veroordeling daarentegen op een ruimer geheel van objectieve bewijzen, dan zal een louter formele grief over een niet-gehoorde getuige in Straatsburg weinig kans op slagen hebben.
Heeft u vragen over uw rechten in een strafprocedure, of loopt er een dossier waarin het al dan niet horen van een getuige een rol speelt? Neem gerust contact op met ons kantoor voor een grondige analyse van uw situatie.




Opmerkingen